Betekenis van het woord pas in het Nederlands

Wat betekent pas in het Engels? Ontdek de betekenis, uitspraak en specifiek gebruik van dit woord met Lingoland

pas

US /pɑːs/
UK /pɑːs/

Zelfstandig Naamwoord

1.

pas, toegangsbewijs

a document giving official permission to do something, especially to enter or leave a place

Voorbeeld:
You'll need a special pass to get into the restricted area.
Je hebt een speciale pas nodig om het beperkte gebied binnen te komen.
The guard checked his visitor's pass at the gate.
De bewaker controleerde zijn bezoekerspas bij de poort.
2.

voldoende, geslaagd

a successful completion of an examination or course

Voorbeeld:
She got a pass in her driving test.
Ze behaalde een voldoende voor haar rijexamen.
A minimum of 50% is required for a pass.
Minimaal 50% is vereist voor een voldoende.

Werkwoord

1.

passeren, doorgaan

move or cause to move in a specified direction

Voorbeeld:
He watched the clouds pass overhead.
Hij keek hoe de wolken overvlogen.
Please pass the salt.
Geef het zout door, alsjeblieft.
2.

slagen, halen

succeed in an examination, test, or course

Voorbeeld:
I hope I pass my exams.
Ik hoop dat ik mijn examens haal.
She studied hard to pass the certification.
Ze studeerde hard om de certificering te halen.
Gerelateerd Woord: