Betekenis van het woord preaching in het Nederlands

Wat betekent preaching in het Engels? Ontdek de betekenis, uitspraak en specifiek gebruik van dit woord met Lingoland

preaching

US /ˈpriːtʃɪŋ/
UK /ˈpriːtʃɪŋ/

Zelfstandig Naamwoord

1.

prediking, preek

the act of delivering a sermon or religious address to an assembled group of people

Voorbeeld:
•
His preaching often focused on themes of forgiveness and redemption.
Zijn prediking richtte zich vaak op thema's van vergeving en verlossing.
•
The congregation listened intently to the pastor's preaching.
De gemeente luisterde aandachtig naar de prediking van de dominee.
2.

gepreek, moraliserende preek

a tedious moral lecture

Voorbeeld:
•
I'm tired of his constant preaching about how to live my life.
Ik ben zijn constante gepreek over hoe ik mijn leven moet leiden beu.
•
We don't need any more of your self-righteous preaching.
We hebben geen behoefte aan meer van je zelfingenomen gepreek.