Betekenis van het woord ski in het Nederlands

Wat betekent ski in het Engels? Ontdek de betekenis, uitspraak en specifiek gebruik van dit woord met Lingoland

ski

US /skiː/
UK /skiː/
"ski" picture

Zelfstandig Naamwoord

ski

each of a pair of long narrow pieces of wood, metal, or plastic attached to boots for gliding over snow

Voorbeeld:
•
He put on his skis and headed down the slope.
Hij deed zijn ski's aan en ging de helling af.
•
The rental shop has various sizes of skis.
De verhuurwinkel heeft verschillende maten ski's.

Werkwoord

skiën

to travel over snow on skis

Voorbeeld:
•
We plan to ski in the Alps next winter.
We zijn van plan om volgende winter in de Alpen te skiën.
•
She learned to ski when she was five years old.
Ze leerde skiën toen ze vijf jaar oud was.