Betekenis van het woord smoke in het Nederlands

Wat betekent smoke in het Engels? Ontdek de betekenis, uitspraak en specifiek gebruik van dit woord met Lingoland

smoke

US /smoʊk/
UK /sməʊk/
"smoke" picture

Zelfstandig Naamwoord

1.

rook

the visible gaseous product of burning material, especially carbonaceous material such as wood, coal, or tobacco

Voorbeeld:
•
Thick smoke billowed from the chimney.
Dikke rook walmde uit de schoorsteen.
•
The smell of wood smoke filled the air.
De geur van houtrook vulde de lucht.
2.

roken

the act of smoking tobacco

Voorbeeld:
•
He tried to quit smoke several times.
Hij heeft meerdere keren geprobeerd te stoppen met roken.
•
No smoke is allowed in this area.
Roken is niet toegestaan in dit gebied.

Werkwoord

1.

roken, walmen

emit smoke or visible vapor

Voorbeeld:
•
The campfire began to smoke as the wood caught fire.
Het kampvuur begon te roken toen het hout vlam vatte.
•
The engine was smoking badly.
De motor rookte erg.
2.

roken

inhale and exhale the smoke of tobacco or a drug

Voorbeeld:
•
Do you smoke?
Rook je?
•
He used to smoke a pack a day.
Hij rookte vroeger een pakje per dag.