Betekenis van het woord talking in het Nederlands

Wat betekent talking in het Engels? Ontdek de betekenis, uitspraak en specifiek gebruik van dit woord met Lingoland

talking

US /ˈtɔːkɪŋ/
UK /ˈtɔːkɪŋ/

Zelfstandig Naamwoord

praten, gesprek

the action of conversing or communicating verbally

Voorbeeld:
There was a lot of talking during the meeting.
Er was veel gepraat tijdens de vergadering.
I heard some strange talking from the next room.
Ik hoorde vreemd gepraat uit de volgende kamer.

Bijvoeglijk Naamwoord

praatgraag, spraakzaam

used to describe someone who talks a lot or is prone to talking

Voorbeeld:
He's a very talking person, always sharing his thoughts.
Hij is een erg praatgraag persoon, deelt altijd zijn gedachten.
The children were too talking to focus on the lesson.
De kinderen waren te praatgraag om zich op de les te concentreren.